
Het is mogelijk minder erg gesteld met achterstanden in het Friese onderwijs dan wordt aangenomen. De boute conclusies die sociologe Bernie van Ruijven daarover trok in haar dissertatie van 2004, zijn gebaseerd op onzorgvuldig en onjuist onderzoek. Scholen krijgen daardoor de schuld van iets dat niet is aangetoond. Dat zegt onderwijskundige dr. Johan Wijnstra, voormalig onderzoeker bij Cito.
De conclusies van Bernie van Ruijven liegen er niet om. Friese basisschoolleerlingen presteren slechter dan hun leeftijdgenoten elders in Nederland. De resultaten zijn in Fryslân beduidend lager, zowel voor rekenen als taal. En dat is voor een groot deel aan de scholen te wijten. Deels naar aanleiding van haar onderzoek kreeg de provincie Fryslân zo’n 1,2 miljoen euro van het Rijk, om het niveau van zwakke scholen op te krikken. In de onderwijsnota reserveert de provincie nog eens 10,5 miljoen euro voor de bestrijding van taalachterstanden. Sociologe Van Ruijven promoveerde ruim twee jaar geleden aan de Rijksuniversiteit Groningen op een onderzoek naar onderwijsachterstanden in Fryslân. Tevoren klonk al jaren het geluid dat Friese kinderen niet aan het landelijk gemiddelde zouden voldoen. Van Ruijven, onderzoekster bij de Fryske Akademy, leverde in opdracht van de provincie Fryslân de feiten in haar dissertatie ‘Onderwijseffectiviteit in Fryslân. Onderzoek naar de onderwijsresultaten van de leerlingen en de kwaliteit van het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs in Fryslân’. De op die feiten gebaseerde conclusies kloppen niet, zegt nu onderwijskundige dr. Johan Wijnstra, die tot zijn pensionering in 2005 onderzoeksleider was bij Cito. Bij het globaal doorlezen van de dissertatie van de sociologe was hem aanvankelijk niets opgevallen. Toen hij er op verzoek van tijdschrift It Beaken van de Fryske Akademy een recensie over ging schrijven, gingen er belletjes rinkelen. ,,Ik ben echt geschrokken”, zegt hij. ,,Dit onderzoek heeft heel wat stof doen opwaaien in Fryslân. De vraag is nu, of dat wel terecht is geweest.” In het gisteren verschenen nummer van It Beaken geeft de van oorsprong Friese Wijnstra in zijn recensie forse kritiek op de wetenschappelijke methodes die Van Ruijven heeft gebruikt. Die zijn volgens hem onzorgvuldig en onjuist.
Om uit te zoeken of er sprake is van achterstanden bij Friese leerlingen op basisscholen en in het voortgezet onderwijs, maakte de sociologe een vergelijking met kinderen in andere delen van het land. Ze vergeleek de prestaties van Friese kinderen met het landelijk gemiddelde, maar ook met de scores van leerlingen in Limburg en Drenthe. Die provincies, zo redeneert ze, komen met Fryslân overeen wat betreft beroepenstructuur en mate van verstedelijking. ,,De vergelijking tussen provincies is ongelukkig”, zegt Wijnstra. De bevolkingsstructuur van twee provincies komt volgens hem nooit goed overeen. Dat heeft te maken met twee factoren: de heterogeniteit en de verschillende grootte van gemeenten, die als basiseenheid worden gebruikt. ,,De gemeente Smallingerland bijvoorbeeld wordt aangemerkt als ‘matig stedelijk’, dat geldt dus ook dorpen als Oudega en Rottevalle. Aan de andere kant wordt Emmen, een gemeente met meer dan 100.000 inwoners, beschouwd als ‘weinig stedelijk’ omdat alle omliggende plattelandsgemeenten met de centrumstad gefuseerd zijn. Dat gaat dus mis.” Limburg, de provincie die Van Ruijven het meest gebruikt ter vergelijking, komt zo beschouwd helemaal niet goed overeen met Fryslân. De onderzoekster had volgens Wijnstra nog beter Drenthe kunnen nemen. ,,De plattelandsgemeenten zijn in Drenthe het grootst en in Limburg het kleinst. Maar vergeten wordt dat de steden in Limburg juist het grootst zijn. Het aantal Limburgse kinderen in een plattelandsgemeente is dus maar de helft van het aantal in Fryslân.” De sociologe heeft haar conclusies getrokkken op basis van de vergelijking met Limburg, stelt Wijnstra, zonder zich af te vragen hoe het komt dat die provincie gemiddeld zo hoog scoort.
Meer rekentijd
Bij het naast elkaar houden van rekenresultaten begaat de sociologe volgens Wijnstra even grote fouten. Ze concludeert dat er op Friese scholen veel minder tijd aan rekenen wordt besteed dan in andere delen van het land. De oplossing ligt volgens haar in het vrijmaken van meer tijd voor het vak. Die redenering is nogal eenvoudig, vindt hij, want ,,waar moet die tijd vandaan worden gehaald? Scholen in Fryslân hebben bijvoorbeeld ook nog de verplichting om het vak Fries te geven.” Van Ruijven gebruikt cijfers van kinderen aan het eind van groep 7, maar projecteert die op de hele bovenbouw. Ze vergelijkt bovendien 18 Friese met 18 Limburgse scholen, maar laat buiten beschouwing dat de verhoudingen in beide provincies sterk verschillen: in Fryslân zijn het er 18 van de 53, in Limburg 18 van de in totaal 23 scholen. ,,Een klein deel van Fryslân wordt vergeleken met een groot deel van Limburg. Dat is slordig. En je trekt ongetwijfeld de verkeerde conclusies.” Het verschil in prestaties tussen leerlingen in Fryslân en Limburg wordt volgens de onderzoekster bepaald door de schoolresultaten, de leerlingenzorg, de manier van lesgeven van de leerkrachten, de stabiliteit van het onderwijsteam, onderwijservaring van de leerkrachten en het aantal uren dat aan rekenen wordt besteed. Als het in Limburg goed gaat en in Fryslân niet, moeten Friese scholen hun werkwijze aanpassen op de Limburgse, redeneert Van Ruijven. Die conclusie is volgens Wijnstra ongefundeerd, omdat Fryslân niet zo eenvoudig te vergelijken is met Limburg. Zijn grootste bezwaar tegen het onderzoek richt zich op de praktische aanbevelingen die ze doet. ,,Er is in allerlei opzichten wat aan te merken op de wetenschappelijkheid van het onderzoek”, zegt de onderwijskundige, die in zijn recensie nog veel meer onderzoeksmethodes onderuit haalt. ,,Het belangrijkste is dat de centrale conclusies niet goed gefundeerd zijn. Van Ruijven deelt onterecht aan de scholen de zwarte piet uit.” De sociologe doet een aantal aanbevelingen om de schoolprestaties te verbeteren. Ze raadt leerkrachten in het basisonderwijs aan, meer tijd aan rekenen te besteden. Leerkrachten hebben bijscholing nodig op het gebied van didactisch handelen, stelt ze. Basisscholen moeten een remedial teacher aanstellen voor de leerlingenzorg en kleine basisscholen wordt aangeraden samen te werken om de leerlingenzorg beter te regelen. ,,Er is op zichzelf niets op tegen om meer aan leerlingenzorg en bijscholing te doen, maar dit onderzoek geeft er geen reden toe”, zegt Wijnstra. ,,Van Ruijven zegt in nette bewoordingen dat Friese scholen een half uur per week aan tijd verdoen. Ze beschuldigt scholen van inefficiënt werken, zonder daar een juiste fundering voor te hebben.” Meer rekenles is ook best goed, vindt hij. ,,Maar dan moeten scholen op een ander vlak inleveren. De vraag is of dat de juiste oplossing is.”
Lager studieadvies
Prof. dr. Roel Bosker, hoogleraar Onderwijskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en wetenschappelijk directeur van het Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs (GION), zegt niet verbaasd te zijn over de bevindingen van Wijnstra. Zelf was hij niet betrokken bij de promotie van Van Ruijven, maar hij uitte tijdens de zitting wel hevige kritiek. ,,Van Ruijven gebruikt intelligentiepeilingen van Friese kinderen in haar onderzoek, maar laat ze in de vergelijking met de andere provincies steeds buiten beschouwing. Dat is opvallend.” Ook Bosker vraagt zich af waarom de onderzoekster steeds het beter scorende Limburg in de vergelijking gebruikt, terwijl Drenthe qua structuur niet minder op Fryslân lijkt. Vanwege de gesignaleerde tekortkomingen in de dissertatie van de sociologe, en omdat haar onderzoek zich beperkte tot het basisonderwijs, is het GION kortgeleden zelf een onderzoek naar onderwijsachterstanden in Fryslân gestart. Van dat onderzoek, dat zich vooral richt op de situatie in het voortgezet onderwijs, werden kortgeleden de eerste resultaten gepubliceerd in het vaktijdschrift Pedagogische Studiën. Bosker en zijn collega’s concludeerden dat kinderen in Fryslân, of ze nu hoog of laag scoren, een lager studieadvies krijgen dan in de rest van Nederland. ,,Friese kinderen wordt minder vaak havo of vwo geadviseerd”, vertelt hij. ,,Waar dat precies aan ligt, gaan we nu verder onderzoeken. Het heeft in ieder geval niets met de beroepenstructuur in de provincie te maken.” Commissaris van de Koningin Nijpels riep leerkrachten in het basisonderwijs vorige week bij de opening van Piter Jelles Impulse in Kollum nog op, meer ambitie te tonen bij de advisering. Kinderen gaan te vaak naar het vmbo in de buurt, omdat het havo/vwo te ver weg is. Meer onderzoek naar onderwijsachterstanden in Fryslân is volgens Bosker dringend nodig, omdat die er volgens hem wel degelijk zijn. ,,Er is iets goed mis in Fryslân op het gebied van onderwijs”, zegt hij. ,,Het onderzoek van Van Ruijven biedt misschien niet de juiste argumenten, maar problemen zijn er wel. Laat daarover geen twijfel bestaan.” Wijnstra’s conclusie is niet minder eenduidig: Van Ruijvens dissertatie biedt onvoldoende bewijs om te concluderen dat het slecht gesteld is met het onderwijs in Fryslân. ,,De remedie is bovendien niet zo eenvoudig als zij voorstelt. Het onderwerp verdient een beter onderzoek.”
Achterstanden? De feiten op een rij
VERMOEDENS Zijn er onderwijsachterstanden in Fryslân?, vraagt onderwijsambtenaar Theo Willemsen zich in 1999 af in een notitie voor de provincie Fryslân. Er bestaan dan al enige tijd vermoedens dat het niveau van kinderen in het Friese onderwijs achterblijft bij dat in de rest van Nederland. RESULTATEN Sociologe Bernie van Ruijven begint namens de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) en de Fryske Akademy aan een grootschalig onderzoek naar de effectiviteit van het onderwijs in Fryslân. In december 2000 worden de eerste resultaten bekend. Van Ruijven concludeert dat Friese leerlingen op het gebied van taalen rekenvaardigheid lager scoren dan het landelijk gemiddelde. LEERKRACHTEN In september 2003 schrijft Van Ruijven in de tweede fase van haar onderzoek over de oorzaak van de achterstanden. Voor een deel ligt die bij de leerkrachten zelf, concludeert ze. Leerkrachten in het basisonderwijs moeten volgens haar meer tijd besteden aan rekenen. Ze hebben bijscholing nodig op het gebied van didactisch handelen en doen te weinig aan leerlingenzorg. De provincie Fryslân moet zorgen dat het geld dat bestemd is voor de zwakke leerlingen, ook bij deze leerlingen terecht komt, vindt Van Ruijven. In december 2004 sluit ze haar onderzoek af met een dissertatie. AANPAK Ondertussen werkt de provincie aan een plan van aanpak voor de bestrijding van onderwijsachterstanden in Fryslân. In oktober 2001 wordt bekend dat de provincie jaarlijks zo’n 1,2 miljoen euro (2,6 miljoen gulden) van het Rijk krijgt voor een pilotproject waarmee de problemen, in dit geval op dertig zwakke scholen, aangepakt moeten worden. KANSEN In oktober 2006 wordt dat pilotproject, het Onderwijskansenplan, afgesloten met een onderzoek van Corrie Hartholt van de Fryske Akademy. Hartholt concludeert dat de prestaties van leerlingen op zwakke scholen in Fryslân maar mondjesmaat zijn verbeterd. OPBRENGSTGERICHT Van Ruijvens conclusies krijgen in juli 2006 een vervolg, met een onderzoek naar het basisonderwijs in de gemeenten Harlingen, Heerenveen en Smallingerland. Friese kinderen leren minder goed dan leeftijdgenoten in de rest van het land, concludeert de sociologe nogmaals. Scholen moeten meer opbrengstgericht werken en resultaten beter controleren, luidt haar advies.
Bron: Friesch Dagblad, 24 januari 2007